Zitten kijken
Ik zit naar de sterren te kijken.
Ik sta te liften.
Ik lig te zonnen.
Ik loop te fluiten.
Ik hang te sterven.
Dit zijn syntactisch en sematisch juiste zinnen. Maar de volgende
zijn syntactisch onmogelijk, hoewel semantisch net zo zinnig:
*Hij rende te zingen.
*Hij fietste te zingen.
*Hij reed te zingen.
Als een bepaalde zinsconstructie alleen mogelijk is met een bepaalde,
kleine groep woorden (zijn er nog meer dan de vier genoemde?), maar
niet met andere, moeten we dan niet besluiten dan ze tot een aparte
(onder)woordsoort behoren? De indeling werkwoord, zelfstandig naamwoord,
enz. is dan toch veel te grof of de zinsbouwregels te beschrijven?
(Wat zou Chomsky hiervan denken?)