Geen getuigen!

19 mei 2007

Verslagen

Maurice de Hond publiceerde (mirror) gisteren op zijn weblog een verslag van de regiezitting (mirror) (25-04-2007) van het smaadproces, waarop de verdediging o.a. getuigen aanvroeg, en van de zitting (mirror) van 10-05-2007, waarop de rechtbank besliste dat die getuigen niet mogen worden opgeroepen.

Ik veroorloof mij, als burger en juridische leek, maar naar ik mij verbeeld met enig vermogen tot logisch nadenken, om hier commentaar op te leveren, want ik vind deze beslissing niet terecht.

Motivatie verdediging

De advocaat van MdH, mr. Plasman, had blijkens het verslag zijn verzoek o.a. als volgt gemotiveerd:

De raadsman verklaart voorts op vragen van de voorzitter, zakelijk weergegeven:
De getuigen dienen te worden bevraagd over de gang van zaken binnen het (opsporings-)onderzoek in de Deventer-moordzaak omtrent het alibi van [...]. Verdachte wenst aan te tonen dat door de opsporings- en vervolgingsautoriteiten in die Deventer-moordzaak op dit punt onzorgvuldig onderzoek is gedaan.

En even verderop:

Niet een waarschuwing van het publiek jegens [...] was derhalve doel van de smadelijke uitlatingen, doch veeleer het aan het licht brengen van onzorgvuldig handelen door politie en Openbaar Ministerie gedurende het onderzoek in de Deventer-moordzaak, hetgeen tot de veroordeling van een onschuldig man heeft geleid.
De uitkomst van het thans gevraagde onderzoek is derhalve van belang, omdat daarmee aannemelijk wordt gemaakt dat verdachte zijn smadelijke uitingen heeft gedaan in "het algemeen belang" als bedoeld in het derde lid van artikel 261 Sr.

Motivatie rechtbank

De beslissing de gevraagde getuigen niet op te roepen, motiveert de rechtbank als volgt:

Dit laatste vermag de rechtbank echter niet in te zien.
[Weergave art. 261 Sr]
Niet valt in te zien dat de uitkomst van het door de verdediging gewenste onderzoek van belang kan zijn voor een door de rechtbank te nemen beslissing inzake het door verdachte ingeroepen "algemeen belang" als bedoeld in het derde lid van artikel 261 Sr, dan wel voor enig andere rechtens te nemen beslissing in deze strafzaak. Wat er zij van een belang, en wellicht ook van een algemeen belang, om optreden van opsporings- en vervolgingsinstanties in een geruchtmakende strafzaak kritisch te onderzoeken en de resultaten daarvan zo nodig te openbaren, dit is een ander belang dan waar voornoemd derde lid van de smaadbepaling op ziet.
Daar gaat het immers, bezien in de context van de onderhavige tenlastelegging, om het algemeen belang dat, ten tijde van het doen van de gewraakte uitlatingen, eiste dat verdachte de beschuldiging jegens De Jong openbaarde. De rechtbank is van oordeel dat het vereiste directe verband ontbreekt tussen het met het door de raadsman gevraagde onderzoek te dienen belang en de jegens De Jong gedane beschuldigingen.

Een toelichting voor wie dit juridische taalgebruik moeilijk te lezen vindt:
Met “Wat er zij van een belang [...]” wordt bedoeld:
‘Of er nou wel of niet een belang is (want daar gaan we later pas over beslissen), (...)’.

De rechtbank stelt hier dus eigenlijk, in mijn woorden, dat er misschien wel een (algemeen) belang is, maar vanuit dat belang had MdH hoogstens de verkeerde werkwijze van het OM aan de kaak mogen stellen.
Maar zo'n belang mocht geen reden zijn om De J. te beschuldigen.

Bij voorbaat veroordeeld

Door dit standpunt verklaart de rechtbank naar mijn mening nu al, nog lang voor er verdediging is gevoerd, dat het beroep op het algemeen belang, zoals dat in art. 261 Sr staat, wordt verworpen. De verdachte is in feite nu al veroordeeld. Zo behoort rechtspraak volgens mij niet te verlopen.

In lid 3 van het wetsartikel staat ook nog dat het een rol speelt of de verdachte “te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was”. Het lijkt mij dan toch wel enigszins relevant f van de gedane aantijgingen eventueel iets waar zou kunnen zijn, en hoe sterk of steekhoudend de toen reeds bekende aanwijzingen in het licht van nader onderzoek eventueel zouden blijken te zijn.

Ook daarvoor was het onder ede horen van de gevraagde getuigen van wezenlijk belang geweest. De rechtbank schuift dat echter bij voorbaat maar vast terzijde.

De rechtbank stelt ook:

Het verzoek van verdachte wordt derhalve afgewezen. Verdachte wordt door deze afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Daar ben ik het gezien het voorgaande dus heel erg niet mee eens.

Kern

Er is nog een punt waarom naar mijn mening het algemeen belang wel degelijk verband houdt met de al dan niet smadelijke uitlatingen, waarvoor Maurice de Hond in deze zaak terechtstaat. Het gaat er dan om wat het wezen, de kern, de essentie van de hele kwestie is.

Het is heel goed mogelijk dat Maurice de Hond het hier niet met mij eens zou zijn, zelfs niet voordat hij op 22-12-2006 en 25-04-2007 in zijn uitingsvrijheid werd beperkt. Ik verkondig hier op mijn site echter puur mijn eigen mening.

Hoe bot en hard het ook moge klinken, hoezeer het voor Ernest Louwes en zijn familie een menselijk drama is als hij inderdaad onschuldig gevangen zit, – iets dat ik wel tamelijk waarschijnlijk acht, maar waarvan ik niet overtuigd ben – de essentie van deze kwestie is voor mij niet in de eerste plaats:

Taak

Vanwaar die tegenstellingen? Wat zijn de motieven hierachter? Hoe verhoudt zich dit tot de taakstelling van het Openbaar Ministerie? Is het de taak van dat OM, om hoe dan ook een vooraf gekozen verdachte veroordeeld te krijgen en te houden?
Of om gewetensvol de ware toedracht te (laten) onderzoeken, zodat de werkelijke dader door de rechter veroordeeld kan worden? (Wie die dader ook moge zijn; ik weet dat niet.)

Belang

Dat is voor mij de essentie van deze hele kwestie. Dit raakt wel degelijk aan het algemeen belang, want als het OM op deze manier verkeerd bezig is, dan is niemand meer veilig, en loopt iedereen risico toevallig onschuldig in de gevangenis te belanden. Vanwege dat algemeen belang moest Maurice de Hond wel zijn beschuldigen uiten. Aan dat aspect had de rechtbank ruim aandacht moeten besteden, ook door het onder ede laten horen van getuigen.


Noot 1:
O.a. getuigen L. en N., blzn. 13-15 en ook 19-21 in Oordeel zelf.
In de bladtelling van het PDF-bestand zelf is dit 21-23 en 27-29.


Kleuren: Neutraal Raar Geen voorkeur Pagina opnieuw laden