Landspecifiek (1)

6 juni 2016

Inleiding

De Nederlandse taal wordt intensief gebruikt in zowel de noordelijke helft van België als in Nederland en Suriname. Ondanks dat het in die landen om één en dezelfde taal gaat, zijn er vele kleine verschillen aan te wijzen. Hoewel die merkbaar aanwezig zijn, staan ze het onderlinge begrip vrijwel nooit in de weg. Uitdrukkingen die in het ene land gebruikelijk zijn, zijn voor sprekers uit een van de andere ook best te begrijpen, alleen is er het gevoel van ‘dat had ik zelf anders geformuleerd’.

Dit betreft lexicale verschillen (woorden, woordbetekenissen en manieren waarop woorden in uitdrukkingen worden gebruikt), maar ook grammaticale, vooral op het punt van woordvolgorde, modale werkwoorden, bijv. ‘moest’ vs. ‘mocht’ en het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke dingen.

Voor wie teksten in het Nederlands schrijft, originele of vertaalde, rijst dan de vraag welke taalgewoonten aan te houden, van welk land of welke landen. De Taaladviesdienst van de Nederlandse Taalunie werkt met het begrip standaardtaal. Hier is dit nader uitgewerkt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen standaardtaal in het hele taalgebied, standaardtaal in België en standaardtaal in Nederland. Met compacte taal- resp. landcodes volgens ISO 639-2 en ISO 3166-1 zijn die varianten aan te duiden als nl, nl-BE en nl-NL.

Opstelling

Zelf sta ik op het standpunt dat zakelijke, niet-literaire teksten die bedoeld zijn voor het hele taalgebied, gesteld dienen te zijn in het nl, dus niet in wat wel nl-BE is maar geen nl, en ook niet in wat wel nl-NL is maar geen nl.

Ik zonder daarvan uit:

Praktische uitvoering

Bereidheid

Om teksten te schrijven in een nl dat niet specifiek nl-BE is en ook niet specifiek nl-NL, moeten schrijvers of auteurs uiteraard bereid zijn zich daartoe in te spannen. Die bereidheid is er bij sommigen, bij anderen echter wekt alleen al het benoemen van de gedachte grote wrevel. Het zij zo.

Kennis

Om te vermijden wat landspecifiek is en je te beperken tot het breed gedeelde, moet je wel weten wat wat is. Wat betreft specifiek nl-BE dat geen nl-NL is, zijn al langer naslagwerken beschikbaar. Zo is er het naar mijn mening kwalitatief goede Vlaams-Nederlands woordenboek (“van ambetanterik tot zwanzer”) uit 2003, onder redactie van Peter Bakema, Patricia Defour, Marianne Jacobs, Sabine Lefever en Maurice Vandebroek.

Het is helaas al geruime tijd niet meer leverbaar. Ook is het 3,5 cm dik en heeft het 395 bladzijden. Die omvang stelt een praktisch probleem: bij het schrijven of vertalen is het ondoenlijk om elk woord in naslagwerken na te slaan. Dat zou onwerkbaar en onbetaalbaar veel tijd kosten. Ik weet daar zo een-twee-drie geen oplossing voor. Die moet waarschijnlijk gezocht worden in signalerende elektronische hulpmiddelen.

In de omgekeerde richting – die van mijn eigen situatie aangezien ik mijn taalwortels in Nederland heb (steeds rond de 52e breedtegraad) en niet in België – wist ik tot voor kort niet hoe ik erachter kon komen wat specifiek voor Nederland is en wat in België ongebruikelijk is. Ik ben bereid dat te vermijden, maar hoe pak ik dat aan als ik het niet weet?

Het schijnt dat de modernste uitgaven van eentalige woordenboeken deze informatie wel aanbieden. Maar ik heb ze nog niet en niet uitgeprobeerd.

Enkele dagen terug vond ik een oplossing, daarover straks meer.

Wat als er geen gemeenschappelijke vorm is?

Waar voor een bepaald begrip landspecifieke woorden of uitdrukkingen bestaan, maar ook algemene, is het eenvoudig: om voor het hele taalgebied te schijven, prefereer je die laatste.

Maar wat als het ene land dit prefereert en het andere afwijst, terwijl het andere land aan dat andere juist de voorkeur geeft en het eerste niet acceptabel vindt?

Misschien is het geen perfect voorbeeld, maar ik vermoed dat deze situatie zich voordoet bij batterijen en accu’s. Voor mij als Nederlander hebben batterijen een relatief kleine capaciteit (ze zaten bijvoorbeeld in transistorradio’s en zaklantaarns) en ze waren niet oplaadbaar. Accu’s (vrijwel altijd loodaccu’s) daarentegen hadden en hebben een grote capaciteit en zijn herlaadbaar. Ze zijn te vinden in personenauto’s, vrachtwagens en (als tractiebatterijen; niet tractieaccu’s!) in vorkheftrucks.

De laatste jaren is de situatie minder overzichtelijk geworden dan ze vroeger was: batterijen met de maten van vroeger zijn ook in oplaadbare versies te krijgen, en er zijn ook allerlei weliswaar krachtige, maar kleinere accu’s, voor camera’s en laptops en alle andere apparatuur; ze zijn kleiner dan de ook nog steeds gebruikte loodaccu’s.

Mijn indruk is dat wat ik als Nederlander altijd een accu noem, voor automotive toepassingen, in België steevast batterij heet. Mogelijk is dit onder invloed van het Franse batterie (onze batterijen zijn in het Franse piles), hoewel ook in het Engels car battery een heel normale term is.

Oorspronkelijk was een batterij een rij kanonnen. In het Frans ook slagwerk, drumstel, eveneens uit meer trommels en/of bekkens bestaand. Een elektrische batterij is dan voluit een accubatterij. Accu, een verkorting van accumulator, wijst op de opslag van energie. Zo bezien zou alles met één element een accu moeten zijn en alles met meer cellen een batterij. Maar zo blijkt het niet te werken.

In het geval van accu en batterij volg ik toch maar mijn eigen gewoonte, op basis van het gebruik in Nederland, en wijs ik dat van België af. Je moet toch wat?

Verzamelen en leren tegelijk

De Taaladviesdienst van de Taalunie blijkt niet alleen definities van verschillende soorten standaardtaal te hebben opgesteld. Men heeft ook intensieve enquêtes gehouden om op statistische gronden te bepalen wat ertoe behoort.

Met eenvoudige zoekopdrachten is deze informatie via Google te voorschijn te halen:
"standaardtaal in België" site:taaladvies.net/taal/advies
voor nl-BE resp.
"standaardtaal in Nederland" site:taaladvies.net/taal/advies
voor nl-NL.

Vooral in die laatste ben ik geïnteresseerd, omdat ik er zo achter kan komen wat te vermijden om voor het hele taalgebied te schrijven. Ik klikte al wat resultaten aan en zag interessante zaken waar ik voordien geen idee van had.

Mijn voornemen is nu een hyperlinkverzameling te gaan aanleggen, alfabetisch naar trefwoord, bij uitdrukkingen zo nodig met meer dan één vermelding. Ik verwacht niet dat ik ze allemaal zomaar ga onthouden, maar wel dat ik door het verzamelen snel en effectief een ‘instinct’ zal ontwikkelen van “was hier niet iets mee?”. Als daardoor bij het schrijven steeds tijdig een alarmlichtje gaat branden, dan kan ik gericht en efficiënt de details opzoeken en een overwogen beslissing nemen. Dat is wel te doen, in tegenstelling tot ongericht steeds alles opzoeken.

Naar de lijst op een aparte pagina.


Naschrift 6 juni: ik vernam dat Typisch Vlaams – 4000 woorden en uitdrukkingen door Ludo Permentier Ludo en Rik Schutz als een waardig opvolger kan worden gezien van het Vlaams-Nederlands woordenboek.

Naschrift 7 juni: zie ook Gluren bij de buren, door Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar.


Kleuren: Neutraal Raar Geen voorkeur Pagina opnieuw laden