Terug

Kleuren:
Zwart op wit    Geel op blauw    Laad met nieuwe kleurinstelling


Vragen n.a.v. onderzoek Deventer moordzaak, sept. 1999 - aug. 2007

Door H. J. Vonk

  1. De moord op mevr. Wittenberg te Deventer, volgens politie en justitie op donderdagavond 23 sept. 1999, vond plaats tien dagen nadat zij haar testament had veranderd bij notariskantoor Smalbraak / Kostering en Prinsen.
    De nieuwe executeur-testamentair, dhr. E. Louwes, had door haar een negatief beeld gekregen van haar familie en kennissen en derhalve een rekening geopend voor haar vermogen bij de bank van zijn werkgever, de Vereniging van Artsen Assuradeurs.
    Accountantsonderzoek toonde niets onregelmatigs. Waarom viel de verdenking van de moord dan toch op E. Louwes?

  2. Als executeur-testamentair kon Louwes, op basis van “de verklaring van executele”, het vermogen naar eigen goeddunken beheren.
    Voor een “derdenrekening” was een uittreksel uit het Handelsregister nodig, hetgeen ontbrak omdat er nog geen stichting bestond, volgens de wens van de overledene bedoeld voor de opvang van ex-patiënten van wijlen haar echtgenoot, de psychiater Wittenberg. In overleg met de bankmedewerkster werd voorlopig f. 20.000 op deze “beheerrekening” gestort.
    Waarom gaf de politie de bevestigende verklaring van deze bankmedewerkster pas in 2004 vrij?

  3. Mevr. Wittenberg heeft, volgens informatie van haar bank te Luxemburg, samen met een ex-patiënt van haar enkele jaren daarvoor overleden man, haar rekening aldaar, groot f. 60.000 leeggehaald. Daarvan is f. 17.000 in haar kluis bij een Deventer bank en f. 3000 contant in haar woning aan de Zwolsche Weg 157 te Deventer getraceerd en door Louwes, samen met een politieman op bovenvermelde beheerrekening gestort.
    Weet genoemde ex-patiënt waar de rest gebleven is?

  4. Naar aanleiding van het tv-programma “Belastingparadijzen” had Louwes als fiscaal-jurist informatie verzameld over het wonen op Malta, ten gunste van zijn medische cliënten die na hun pensionering van een mild belastingklimaat wilden profiteren.
    Waarom zag het Hof te Arnhem in deze folders een financieel motief voor de moord, hoewel collega's van Louwes zijn intentie bevestigden?

  5. Waarom werd iemand verdacht en later veroordeeld die het volste vertrouwen genoot van het slachtoffer, (zij vertrouwde hem het beheer over haar vermogen toe) wiens handelen controleerbaar was voor accountancy en belastingdienst en niet de belanghebbenden, voormalig executeur-testamentair, familieleden en kennissen, zoals de ex-patiënt/klusjesman, met wie zij had gebroken?

  6. Het Hof te Den Bosch liet in 2004 het zogenaamde financiële motief vallen en kon geen voorbereidingshandelingen te berde brengen.
    Waarom werd Louwes dan toch gevonnist “met voorbedachten rade”, als de basis voor zo'n uitspraak ontbreekt?

  7. Een bloedige moord met steekwonden duidt op een “affect-handeling”, een explosief-emotionele ontlading. Waarom wordt een dergelijk misdrijf gekoppeld aan een beheerste, introverte man en niet aan een labiele, gewelddadige persoon uit de omgeving van het slachtoffer?

  8. Heeft er, in het licht van het voorafgaande, ooit een psychologisch c.q. psychiatrisch onderzoek rond de moord plaats gevonden? Zo nee, waarom niet?

  9. Om welke reden acht men een nette, hardwerkende echtgenoot en vader zonder strafverleden schuldig en niet een dubieuze figuur met een verleden in de pornobusiness en verdacht van oplichting en gewelddadigheid uit de omgeving van mevr. Wittenberg?

  10. In de tuin van het slachtoffer is destijds een stuntelig excuusbriefje gevonden voor het ontvreemden van spullen van de weduwe Wittenberg.
    Het grafologisch bureau Waisvisz te Almere heeft met behulp van het handschrift een daderprofiel opgesteld waarin Louwes totaal niet paste. Dit rapport is politie en Openbaar Ministerie ter hand gesteld, maar sindsdien verdwenen. Hoe is dat mogelijk?

  11. Waarom is Louwes veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf, terwijl motief, moordwapen en getuigen ontbreken?

  12. Onder de ex-patiënten van dokter Wittenberg bevonden zich de klusjesman van het echtpaar, Michael de J., en brigadier Henk R. van de Regiopolitie Twente.
    De verhoren van deze destijds verdachten werden gestaakt toen Louwes in zicht kwam. Op wiens last?

  13. Waarom werden deze verhoren later niet hervat, toen het financiële motief van Louwes verviel? En ook niet toen het mes als bewijsmiddel van tafel was en Louwes in feite was vrijgesproken?

  14. Waar zijn de processen-verbaal van de verhoren van brigadier Henk R. gebleven, terwijl hij vlak na de moord toch over daderkennis bleek te beschikken?

  15. Deze brigadier vertelde tijdens de begrafenis van het slachtoffer uitvoerig over de situatie op de plaats van het delict. Over deze daderkennis gaf hij tweeërlei uitleg:

    Hoe valt deze dubbele uitleg te verklaren, in het licht van zijn vriendschap met de klusjesman als ernstig-verdachte?
  16. Is er ooit onderzoek gedaan naar het inkomsten- en uitgavenpatroon van de klusjesman, tegen de achtergrond van een bescheiden sociale uitkering en exorbitante uitgaven voor een professionele wapenverzameling en dure terreinauto's, alsmede schulden aan belastingdienst en bedrijfsvereniging Detam, kort na de dood van de weduwe deels vereffend?

  17. Is er ooit onderzoek gedaan naar een mogelijk netwerk van psychiatrische patiënten van wijlen dokter Wittenberg, waartoe ook de klusjesman en de brigadier behoorden?

  18. Is hier wellicht een “link” met de 58-jarige Amsterdamse kunstschilder, schrijver van de anonieme brief die Louwes ontlastte en beschuldigend wees naar een familie-lid van het slachtoffer?
    Deze man werd door justitie voor “gek” verklaard, waar de opzet van de brief niet op wijst.

  19. Vermelde anonieme brief is in maart 2004, dus na het definitieve vonnis van het Hof te Den Bosch bij de politie te Deventer bezorgd en daarna doorgestuurd naar de Officier van Justitie te Zwolle.
    Ondanks haar belofte de brief door te sturen naar de Hoge Raad waar de zaak in revisie zou dienen, was dat een jaar later nog niet gebeurd.
    Waarom niet, hoewel het parket van Zwolle /Lelystad het “een brief van een gek” noemde?

  20. Op 12 augustus 2005 meldde het dagblad DeTwentsche Courant/Tubantia dat prof. Frijters de identiteit van de anonieme briefschrijver had achterhaald.
    Het Parket van Justitie Zwolle/Lelystad meldde een dag later geen nader onderzoek te doen.
    Waarom niet?

  21. Ex-vriendin Hennie C. van de klusjesman hoorde op vrijdag 24 sept. 1999 van hem, dat mevr. Wittenberg was overleden. Op zaterdag 25 sept. 1999 las hij zijn vriendin een door hem opgestelde rouwadvertentie voor. Deze gaf hij de maandag erna, 27 sept. 1999, op aan de Deventer Courant, nu de Stentor.
    Op dinsdag 28 sept. 1999 echter, tijdens een politieverhoor, verklaarde hij voor het eerst van de dood van de weduwe te horen. Hoe is dat te rijmen?

  22. Vriendin Meike verschafte de klusjesman, die kort ervoor “vet had geborreld”, voor de avond van de moord een alibi. Hij zou vanaf 16.30 uur de hele avond bij haar zijn gebleven.
    Onlangs vrijgegeven Libertel telefoongegevens van de klusjesman en een verklaring van Meike tegenover PD Recherche Advies geven echter aan dat Meike om 20.00 uur in het studentenverblijf Brink 21 aankwam, waar de klusjesman zich veel later die avond bij haar voegde.
    Hoe is dit gedrag te verklaren?

  23. Zijn beide vriendinnen individueel en in samenhang verhoord, benevens andere kennissen van de klusjesman?
    Bijvoorbeeld de studenten die rond 1999 te Deventer in het studentenpand Brink 21 verbleven, waarvan Michael de J. enige tijd beheerder was, door de Stichting Deventer aangesteld als arbeidsongeschikte werkloze. Binnen deze studentenkring was Michael eind 1999 reeds verdacht.

  24. Is er ooit navraag gedaan bij de Deventer Courant, nu de Stentor, i.v.m. de opgave van de rouwadvertentie door de klusjesman op maandag 27 sept. 1999?

  25. Is er onderzoek geweest naar de relatie alcohol-medicijngebruik (spierverslapper) van de klusjesman enerzijds en zijn gewelddadigheid anderzijds?

  26. Is er onderzoek gedaan naar zijn antiekhandel, in het bijzonder tav zijn relatie met de antiekhandelaar Johan W. te Holten, toen bleek dat veel van het antiekbezit van de weduwe Wittenberg was verdwenen?

  27. Volgens het rapport van Regiopolitie IJsselland werden op zondag 26 sept. 1999, dus 3 dagen na de moord, op een woonhofje in het centrum van Deventer een mes en een paraplu gevonden. De moordenaar zou deze daar hebben neergelegd. Is het niet vreemd dat de inzekerheidstellende verbalisanten Oldenhof en De Ruiter dit mes al op maandag 27 september in verband brachten met de moord, begaan op de donderdag daarvoor en de vondst niet vermeld werd in het uitgebreide politieverslag van 22 nov. 1999, twee maanden na de moord en na de arrestatie van Louwes. Waarom niet?

  28. De informatie werd ook niet doorgegeven aan het Avro-programma “Opsporing Verzocht” en pas vermeld in de politieverslagen van 23 dec. 1999 en 13 jan. 2000. Is dat niet vreemd?

  29. Waarom werden mes en paraplu, volgens de politie gevonden op 1,5 km afstand van de moordlocatie, als bewijsmateriaal niet veilig gesteld? De paraplu lag “open en bloot” in de kofferbak van de politieman die de werkster van de weduwe ermee confronteerde.

  30. Op de bewijsmiddelen van een zaak vermeldt de politie een BPS-nummer. In het geval van deze zaak waren de eerste twee cijfers 99, het jaar van het misdrijf. Op de kopie van het politiedocument, vol veranderingen, had het mes, aangeduid als P-1, een BPS-nummer, beginnend met 98, behorend bij een andere steekpartij in Deventer het jaar ervoor.
    Had men, vlak voor de bijeenkomst van de raadkamer op 1 dec. 1999, een nieuw bewijsmiddel nodig?

  31. Waarom is destijds niet direkt gekeken naar de relatie van het mes (recht, met een 18 cm lang lemmet) en de verwondingen, blijkens een bloedafdruk op de blouse van het slachtoffer toegebracht met een zogenaamd haaietandmes , krom, met een 10 cm lang lemmet en een heftafdruk, hetgeen op een Global mes wees?

  32. Waar is het oogvocht van het slachtoffer, belangrijk voor het vaststellen van het tijdstip van de moord, bij het Nederlands Forensisch Instituut gebleven?

  33. Vlak na zijn arrestatie in 1999 verzocht het NFI Louwes mee te werken aan een dna-onderzoek, waar hij mee instemde. Men vond een bloedvlekje in zijn broekzak. (Louwes is een fervent nagelbijter).
    Kan er een relatie zijn met de dna-sporen, later op de blouse van het slachtoffer gevonden?
    Waarom is er in januari 2004 wederom dna van Louwes afgenomen?

  34. Buiten de blouse zijn alle kledingstukken van het slachtoffer verdwenen. Waar, wanneer en hoe? Met name het vest dat het slachtoffer over de blouse droeg was voor het sporenonderzoek belangrijk.
    Men heeft daarop dus geen dna van Louwes aangetroffen.
    Bij zo'n bloedige en gewelddadige moord kan men niet uitsluitend de blouse contamineren.
    Deze contaminatie moet dus vóór of nà de moord hebben plaatsgevonden.
    Hoe is de basis van het vonnis van het Bossche Hof, “consistentie van de dna-sporen met het misdrijf” dan nog vol te houden?

  35. Bij de geurproef met het mes bestond de contrôlegroep uitsluitend uit politiemensen, een homogene groep dus. Daardoor stond de uitslag, Louwes als dader, dus tevoren al vast.
    Hoe kan de Deventer politie deze handelswijze verantwoorden?

  36. Volgens het politieverslag is de geurproef met het mes verricht op maandag 29 nov. 1999.
    De speurhond africhter vermeldt echter dinsdag 30 nov. 1999 als datum.
    Hoe kon het politieverslag daarop vooruitlopen? Stond de uitslag al vast vóór de proef?

  37. De geurproef met de paraplu werd volgens het proces-verbaal genomen op 6 november 1999, nota bene vóórdat Louwes was gearresteerd!! Bovendien kan deze proef nooit zijn genomen, omdat van Louwes maar één keer geur werd afgenomen, gebruikt bij de geurproef met het mes.
    Een verschrijving, 6 dec. kan ook niet, omdat men de geur kort na afname moet gebruiken.
    Hoe is dit te verklaren?

  38. Waarom is het proces-verbaal van de geurproef met de paraplu geschreven op papier van de Regiopolitie Twente, het korps van brigadier Henk R., terwijl het onderzoek in handen was van Regiopolitie IJsselland?

  39. Volgens de politiefoto was de vindplaats van het mes, het woonhofje in Deventer, keurig bestraat en ingericht.
    Volgens de aanwonenden echter was het hofje het weekend na de moord één grote zand- en modderpartij, tgv bestratingswerkzaamheden. Hoe is dit te verklaren?

  40. De omwonenden hadden een vrij zicht op de zgn “vindplaats”. Zij hebben echter nooit iets gezien en zijn ook nooit door de politie gehoord. Waarom niet?

  41. Gezien de weersomstandigheden dat bewuste weekend, hevige regenval, en de modderige omgeving, lijkt het onmogelijk nog dadersporen op mes en paraplu te vinden.
    Toch bracht de politie Louwes in verband met mes en paraplu, waarop het Hof te Arnhem zijn vonnis, 12 jaar gevangenisstraf, baseerde. Hoe is dat mogelijk?

  42. Tussen mes en paraplu bestond volgens het onderzoek een nauw verband: de dader zou het mes, verstopt in de paraplu, vervoerd hebben.
    Waarom liggen de verzenddata naar het NFI te Rijswijk, het mes op 27 sept. 1999 en de paraplu op 3 dec. 1999, dus ruim 2 maanden later, dan zo uit elkaar?

  43. Waarom zijn stukken tekst van het inbeslagname-document van het mes weggeradeerd?

  44. Louwes gaf volgens de politie op 29 nov. 1999 toestemming voor de geurproef met het mes. De video-band van dat gesprek is ook al verdwenen. Hoe is dat mogelijk?

  45. Waarom is geen onderzoek verricht naar het verband tussen de bloedafdruk van het moordmes op de blouse (gekromd, lemmet 10 cm, waarschijnlijk een Japans Global-tourneermes) en een vergelijkbaar messenbezit van de klusjesman van het slachtoffer?

  46. Volgens de Regiopolitie IJsselland werd de blouse van het slachtoffer er op 14 okt. 1999 naar het NFI gestuurd. Volgens het NFI is de blouse daar op 10 nov. 1999 , dus bijna een maand later, ontvangen. Hoe was deze sprong in de tijd mogelijk?

  47. Waarom is deze blouse door het Hof aanvaard als bewijsstuk, hoewel het kledingstuk zonder dna-identiteitszegel, vier jaar lang op diverse lokaties heeft rondgezwalkt en zelfs enige tijd spoorloos is geweest?

  48. De blouse is bewaard in een open zak, samen met andere voorwerpen van het slachtoffer.
    Is dan de mogelijkheid van contaminatie naderhand niet bijzonder groot?

  49. Waarom zijn de dna-sporen van Louwes op de blouse van het slachtoffer, ontdekt in nov. 2003, niet al bij het eerste onderzoek door het NFI in nov. 1999 aangetroffen?

  50. Hoe kunnen deze dna-sporen consistent met de moord worden verklaard als er verder, noch op het lichaam van het slachtoffer, noch op haar kleding, noch op de inventaris van haar woning zelf, sporen van Louwes zijn gevonden en er bovendien geen bloedsporen op zijn kleding of in zijn auto zijn aangetroffen?

  51. Waarom werden respectievelijk broek-en-paraplu / paraplu-en-blouse ongescheiden opgestuurd naar het NFI,waardoor onderlinge contaminatie met dna-sporen kon ontstaan?

  52. Tijdens de zittingen in Den Bosch heeft een der rechters bij herhaling gevraagd naar de nagels van het slachtoffer, maar ze waren niet te traceren.In de eindconclusie van het oriënterend onderzoek in 2006 vermeldde het OM echter contaminatie van deze nagels met het y-chromosomaal dna van Louwes.
    Hoe is dit te verklaren?

  53. De blouse is in 1999 driemaal onderzocht: door politie, technische recherche en NFI.
    Nooit werd een bloedvlek vermeld.
    Op 8 dec. 2003 verklaart het NFI tijdens de zitting te Den Bosch twee contactsporen van Louwes te hebben gevonden. Wederom géén vermelding van bloedsporen.
    Op 26 jan. 2004 spreekt men ineens van een goed zichtbaar bloedvlekje in de kraag van de blouse van het slachtoffer.
    Hoe is dat mogelijk? Waarom ontbreekt dat op de foto van het slachtoffer?

  54. Volgens ing. Eikelenboom van het NFI was er sprake van een bloedvlekje, géén bloedspat, dus niet gerelateerd aan geweld. Oók waren op de blouse in jan. 2004 niet eerder waargenomen roze-rode vlekken zichtbaar. Het NFI sprak van make-upvlekken. Waarop was deze conclusie gebaseerd?

    Er heeft geen laboratoriumonderzoek plaatsgevonden.
    Mevr. Wittenberg gebruikte echter foundation van een andere kleur.
    Hoe is dat te verklaren?

  55. Waarom is het “mes-bewijs” van het Hof te Arnhem niet door het Hof te Den Bosch vernietigd, maar vervangen door het “bloedvlek- en dna-bewijs”, terwijl er sprake was van een dwalingsherzienings-procedure, welke in het voordeel moet zijn van de veroordeelde.
    In dat geval mag het Openbaar Ministerie, naar de geest van de wet, geen nieuw bewijs aanvoeren, hetgeen, met de blouse, toch is gebeurd.

  56. Technische middelen om het tijdstip van de moord te bepalen zijn: meting van lichaamstemperatuur en oogvocht.
    Lichaamstemperatuur, rectaal gemeten, wordt vergeleken met de omgevingstemperatuur.
    Uit glasvocht van het oog wordt de hoeveelheid kalium gemeten.
    Waarom zijn deze technische middelen niet toegepast, maar is men slechts uitgegaan van de in huis aangetroffen situatie?

  57. Het door de politie vastgestelde tijdstip van de moord, even na 20.30 u op donderdag 23 sept. 1999, is in strijd met getuigenis van zes personen die het slachtoffer nog daags erna, op vrijdag 24 sept. 1999, hebben gezien. Het zijn: dhr. Steendam, mevr. Thissen en haar zoon, dhr. Ruitenbeek en de dames Nolten en Scheepens.
    Waarom is hun getuigenis niet geaccepteerd en zijn ze niet voor de rechtzitting opgeroepen?
    Voor die vrijdag had Louwes een alibi.

  58. Wèl accepteerde het Hof van Den Bosch getuigenis van een buurman, die beweerde haar vrijdag niet meer gezien te hebben. Hij werkte die dag aan zijn motor op zijn oprit, deels, met name bij de garage, gescheiden door een hoge schutting en er naast staande, nog hogere coniferen.
    Hij had derhalve géén duidelijk zicht op de oprit van zijn buurvrouw. Bovendien werkt men gebukt aan een motor en niet de hele dag, waarbij men ook wel eens naar binnen gaat.
    Waarom werd zijn getuigenis wèl geaccepteerd?

  59. Waarom werden de getuigenissen van de eerste zes personen niet aan het dossier toegevoegd?

  60. Volgens de politie is Louwes destijds van de Jaarbeurs te Utrecht, via Hoevelaken, naar Deventer gereden, heeft aldaar de moord gepleegd en is ca 22.30 u in Lelystad thuisgekomen.

    Een rekensom:

    Tijden zijn gecheckt.
    Hoe kan men dan een gesprek voeren (er stond wijn en sinas klaar), een gruwelijke moord plegen, het huis uitkammen (er was een braadslee met geld/juwelen van zolder gehaald), alle sporen wissen en ongezien naar de Gibsonstraat wandelen? (Louwes beweert overigens zelf via 't Harde om ca 21.00 u thuis te zijn gekomen.)

  61. Het verwijderen van stille getuigen, zoals de telefoon met nummeraanduiding, de tv-gids open geslagen op donderdag 23 sept. 1999, leesbril, pen, notitiepapier en schort, had de dader een alibi in de tijd kunnen verschaffen. Dit is niet gebeurd.
    Waarop stoelt het Hof van Den Bosch dan de mening: “Kalm beraad en rustig overleg”?

  62. Is het overigens logisch om iemand met een telefoon voorzien van nummerherkenning en nummergeheugen te bellen, om haar een kwartier later te doden en zó zijn visitekaartje achter te laten?

  63. Volgens het Bossche Hof heeft de dader “zich tevoren van een steekvoorwerp voorzien, of dit in de woning van het slachtoffer erbij gepakt”.
    De bloedafdruk van het moordwapen op de blouse wijst echter op een Japans Global GS tourneermes, in bezit van professionele koks en verzamelaars, zoals de klusjesman.
    Het was dus geen normaal huishoudelijk gereedschap. Hoe is dit te rijmen?

  64. Waarom zijn de “time-advance”-gegevens van het gsm-netwerk, die exact de plaats van Louwes tijdens het telefoongesprek van donderdag 23 sept. 1999 om 20.36 u aangaven, niet bij de arrestatie van Louwes, twee maanden na de moord, bij KPN opgevraagd? Deze gegevens worden zeker drie maanden door KPN bewaard en hadden kunnen aantonen dat Louwes toen niet in Deventer was.
    Bij de vuurwerkramp te Enschede zijn ze wel, in het nadeel van de verdachte, opgevraagd.

  65. De afstand cell-Deventer (14501) en traject viaduct Harderwijk / afslag 't Harde (14801), vanwaar Louwes beweert te hebben gebeld, is hemelsbreed 22 km.
    Bij propagatie is zenderbereik méér dan 35 km, hetgeen volgens zendamateurs die avond het geval was.
    Aanstraling van cell-Deventer vanaf 't Harde is dan zeker mogelijk, temeer als tussenliggende cellen, destijds in aantal veel minder dan thans, wegens druk (telefoon-)verkeer vol zijn. Derhalve heeft KPN nooit onomstotelijk vastgesteld dat het bewuste gesprek tussen Louwes en het slachtoffer binnen Deventer is gevoerd.
    Waarom gaat het Hof voorbij aan twee deskundigen die, na inschakeling van een Amerikaans Instituut, bovenstaande bevestigen?

  66. De bouwer van het KPN-netwerk mobiele telefonie, dhr. Steens, vermeldde véél administratieve fouten met cell-nummers. Hij beweerde dat twee zenders soms tijdelijk in de administratie hetzelfde nummer hadden.
    De cellen van Deventer (14501) en ' t Harde (14801) hebben bijna identieke nummers die, zeker bij handmatige registratie, verward kunnen zijn.
    De middag van de moord is cell 14801 gerepareerd en zijn er twee tijdstippen geregistreerd van binnenkomst van het gesprek: 20.25 u op het toestel van het slachtoffer en 20.36 u op de gsm-uitdraai van Louwes.
    Waarom worden de bevindingen van deskundigen die eigen onderzoek pleegden niet geaccepteerd?

  67. Louwes had om 16.00 u die dag een afspraak in Lelystad en at daarna thuis een boterham, hetgeen is bevestigd door een buurvrouw.
    Hij moest om 19.00 u in Utrecht zijn en had om 18.00 u te Amersfoort een tussengeschoven afspraak.
    Derhalve wijzigde zijn vrouw in de huisagenda “wèl eten, daarna Ernest weg” het woord “wel” in “niet”.
    Wel eten was laat thuis, ca 22.30 u , niet eten was vroeg thuis, ca 20.30 u.

    Deze verandering bleek niet uit de onduidelijke kopie die de politie haar, twee maanden na dato, liet lezen. Daarom dacht ze, daarover gevraagd, dat haar man ipv vroeg pas laat was thuisgekomen.
    Gevolg: geen alibi voor de moord!
    Is deze handelwijze van de politie tgo een aangeslagen vrouw ethisch verantwoord?

  68. Het Hof te Arnhem had Louwes tot 12 jaar veroordeeld. De Advocaat-Generaal te Den Bosch eiste vervolgens 15 jaar, hoewel strafverzwaring na een herzieningsprocedure strijdig is met de wet.
    Wat te denken van deze gang van zaken?

  69. Waarom mocht de advocaat van Louwes nooit over het volledige dossier beschikken, o.a. niet over de processen-verbaal van de verhoren van brigadier Henk R. en van de getuigen die het slachtoffer nog op vrijdag 24 sept. 1999 beweerden te hebben gezien?

  70. Het Hof van Den Bosch weigerde inwilliging van het verzoek van de verdediging om de opsporings-ambtenaren, betrokken bij de vreemde gang van zaken rond mes, paraplu, kleding en speciaal de blouse, als getuigen op te roepen.
    Is er dan nog sprake van een eerlijke rechtsgang?

  71. Waarom mag de verdediger niet aanwezig zijn bij de verhoren van zijn cliënt?
    Wordt door zijn aanwezigheid de kwaliteit niet beter gewaarborgd?

  72. Waarom mag de verdediger daar geen verslag van laten vastleggen?

  73. Waarom ligt samenstelling van en beheer over het dossier uitsluitend in handen van het OM en is de Advocaat afhankelijk van hetgeen het OM hem daaruit ter beschikking stelt?

  74. Gevolg van het voorgaande is dat de verdediging van Louwes pas sinds kort over het complete foto-overzicht van de blouse van het slachtoffer kan beschikken.
    Daaruit komt nu pas een volledige bloedafdruk te voorschijn van het Global mes, lemmet èn heft, van het soort dat de klusjesman destijds bezat.
    Wat hiervan te denken?

  75. Gevolg van bovenstaande is eveneens dat de advocaat van Louwes sinds kort beschikt over de Libertel-telefoongegevens van de klusjesman, waaruit blijkt dat zijn alibi voor de avond van de moord, verblijf vanaf 17.30 u bij zijn vriendin, zoals destijds door het onderzoeksparket bevestigd, geen standhoudt.

  76. Waarom gebruikte het OM in 2003/2004 wèl de dna-sporen op de blouse in het nadeel van Louwes, maar niet de mesafdruk die voor hem ontlastend had kunnen zijn?

  77. Is het bekend dat de schoonheidsspecialiste uit Zutphen van het slachtoffer in de Talpa-documentaire onlangs verklaarde dat de klusjesman met mevr. Wittenberg een afspraak had voor de avond waarin de moord is gepleegd?

  78. Is men op de hoogte van het feit dat dezelfde schoonheidsspecialiste merk en soort foundation van het slachtoffer heeft genoemd , dat in kleur volkomen afweek van de roze-rode vlekken die in 2004 met het dna op de blouse waren gevonden en die door het NFI, overigens zonder laboratorium-onderzoek, als make-up vlekken werden aangeduid?

  79. Weet men dat de dna-deskundige Prof. De Knijff, die in 2003/2004 de mening van het NFI onderschreef dat het dna van Louwes op de blouse van het slachtoffer consistent was met de moord, daar zèlf onlangs in een interview in de Telegraaf aan twijfelde?
    Hij voerde als motief aan destijds door het OM met de blouse als nieuw bewijsmiddel overvallen te zijn, zonder voldoende tijd ter voorbereiding.
    Deze verklaring was zéér ongunstig voor Louwes en droeg waarschijnlijk bij tot zijn veroordeling.

  80. Zowel advocaat als getuige-deskundige werden zonder voorbereiding op de zitting in 2003, in een dwalingsherzienings-procedure nota bene, met een nieuw bewijsstuk, de gecontamineerde blouse, geconfronteerd.
    Kan deze handelwijze van de Advocaat-Generaal niet hebben geleid tot een reaktie van verdediging en getuige-deskundige, die uiteindelijk voor Louwes ongunstig heeft uitgepakt?

  81. Is het logisch dat hetzelfde Parket is belast met het nieuwe voorlopige vooronderzoek, dat ook destijds in 1999 het onderzoek heeft geleid?

  82. Is men op de hoogte van de handschriftvergelijking door Bureau Waisvisz te Almere, van de twee anonieme briefjes in deze affaire, één gevonden in de tuin van het slachtoffer en één, later aan het onderzoeksteam gezonden, met het handschrift van de vriendin van de klusjesman, welk onderzoek positief is uitgevallen?

  83. Is er in één of méér der hiervoor genoemde punten aanleiding tot een novum, vast te stellen door de Hoge Raad?

  84. In vergelijkbare gevallen te Zaandam, Putten en Schiedam is ook veel fout gegaan. Wellicht ook in de zaken van Ina Post, Dick van Leeuwerden, Ernest Louwes en Lucia de B.
    Websites, zoals www.fatalefactoren.com, www.geredetwijfel.nl, www.ernestlouwes.com, en www.geenonschuldigenvast.nl, benevens studieverenigingen aan de Universiteiten van Amsterdam en Maastricht zijn op deze affaires gericht. Advocaten van naam, als Th.U. Hiddema, G. Spong en C. van Houte hebben zich over deze affaires gebogen.
    Is dit algemeen bekend?

  85. Volgens een interview met em. Prof. Crombag in HP/De Tijd van 10 maart jl. zitten tientallen mensen ten onrechte in de gevangenis.
    Is deze bewering juist en welke maatregelen zijn nodig om aan deze beweerde misstand een einde te maken?

  86. Aansluitend op vraag 36, 37 en 38. De proef met het mes was uitgevoerd door de Dienst Levende Have Politie te Nunspeet. De proef met de paraplu is een week later uitgevoerd door het Regiokorps Twente, in de hal van de politieverkeersschool te Apeldoorn.Hoe kunnen er met tussentijd van een week twee geurproeven zijn gehouden, terwijl aantoonbaar maar één keer van Louwes geur is afgenomen ( 2 buisjes)?
    Wijst dit niet op overtreding van de voorschriften, c.q. fraude?

  87. Waarom waren twee verschillende politiediensten betrokken bij de proeven met twee voorwerpen die volgens de politie zo nauw met elkaar verbonden waren?
    Heeft de al eerder genoemde brigadier van Regiopolitie Twente, Henk R. hiermee van doen gehad?

  88. Hoe kon men nog een geurproef houden met de paraplu die al direct na de vondst dactyloscopisch is onderzocht en sindsdien dus niet meer in de oorspronkelijke verpakking heeft gezeten?

  89. Ter aanvulling van vraag 79 en 80. Waarom heeft de getuige-deskundige Prof. De Knijff niet tijdens of direct na de zitting voor het Hof te Den Bosch verklaard dat hij overrompeld was?

  90. Gaat het Openbaar Ministerie nog onderzoek doen naar de merkwaardige rol van Prof. De Knijff als getuige-deskundige in deze rechtzaak?

  91. Is het Openbaar Ministerie niet van mening dat een eventuele meineed van Prof. De Knijff een novum inhoudt, hetgeen kan leiden tot een herzieningsprocedure?

  92. Heeft de vorige herzieningsprocedure het karakter aangenomen van een appèlprocedure,door toelating van nieuw bewijsmateriaal, het aanspreken van de veroordeelde als “verdachte”, en het stellen van een hogere eis door de Advocaat-generaal dan de veroordeling te Arnhem?
    De Hoge Raad heeft zich daar inmiddels over uitgesproken.

  93. Waren zowel rechters als verdediging in Den Bosch met dit nieuwe bewijsmateriaal overrompeld door het Openbaar Ministerie?
    Aanleiding tot deze vraag is het ontbreken van een Raadsheer-Commissaris in de procedure.

  94. Dient het tijdelijk terugtreden van het Hof voor de Raadsheer-Commissaris niet het beginsel van “wapengelijkheid” tussen aanklager en verdediger ter wille van een “fair trial”?

  95. Het Hof te Den Bosch heeft ten aanzien van het dna-onderzoek aan de blouse van het slachtoffer, bij ontbreken van een Raadsheer-Commissaris, een directe onderzoeksopdracht gegeven aan de advocaat-generaal. Bestaat daarbij niet het gevaar dat de rechter betrokken wordt bij de onderzoeks-procedure van het Openbaar Ministerie en daardoor zijn rechtsprekende onafhankelijkheid verliest?

  96. De advocaat-generaal te Den Bosch heeft de officier van justitie te Zwolle/Lelystad in 2003 opdracht gegeven van Louwes een monster wangslijmvlies af te nemen ter dna-bepaling. Heeft de advocaat-generaal daarmee niet in strijd gehandeld met artikel 10 van het wetboek van strafvordering, door buiten haar rechtsgebied te treden? Het NFI beschikte overigens al sinds 1999 over dna-data van Louwes.

  97. Was de dna-deskundige van het NFI naar de eisen van de wet beëdigd? Dit zou immers zijn door het Gerechtshof van het ressort waarbinnen hij woonachtig is èn door de raadsheer-commissaris, zolang het nieuwe wetsvoorstel inzake de positie van de getuige-deskundige in het strafproces nog niet in werking is getreden.

  98. Is niet het aanwijzen van een raadsheer-commissaris in een dergelijke ingewikkelde procedure de onmisbare garantie voor een evenwichtige procesgang? Deze vraag klemt te meer omdat het Openbaar Ministerie toch al in het voordeel is op de verdediging, door het vaststellen van en het beheer over het strafdossier?

  99. Op last van de Voorzitter van het College van Procureurs-generaal is het afgelopen half jaar een oriënterend vooronderzoek gehouden naar mogelijke onjuistheden bij het oorspronkelijke onderzoek in de Deventer moordzaak.
    De omschrijving “oriënterend vooronderzoek” komt echter niet voor in het Wetboek van Strafvordering en wortelt derhalve wellicht niet in de wet.
    Welke waarde is dan toe te kennen aan de conclusies van het betreffende onderzoeksrapport?

  100. Als U van mening bent dat genoemde vragen terecht zijn gesteld, is dan niet de rechtsbescherming van de heer Louwes op onaanvaardbare wijze in het gedrang gekomen?

  101. In juni van dit jaar heeft het OM verslag gedaan van zijn oriënterende vooronderzoek in de Deventer moordzaak sinds begin 2006. Er zijn volgens het NFI nog enkele dna-sporen van Louwes gevonden, nu buiten de beweerde “make-upvlekken”. Inkapseling in de zgn make-up was juist basis van het arrest.
    Is het nieuwe spoor dan niet éxtra aanwijzing dat de blouse vóór of ná de moord is gecontamineerd?

  102. Is het intussen bekend dat die vlekken niet in 1999 zijn gesignaleerd en dat er zéér onreglementair met de blouse is omgesprongen, vóórdat deze in 2004 op dna werd onderzocht? (op het lichaam geopend en gesloten, onverzegeld opgeborgen, opgehangen in een rommelkast, binnenstebuiten gekeerd, opgehangen op een paspop en vier jaar lang rondgezeuld tussen NFI en enkele politie-bureaus)

  103. Volgens het NFI zijn de “briefjes”, in 1999 rond de plaats délict gevonden, c.q. anoniem afgegeven bij het onderzoeksteam, waarschijnlijk niet door de vriendin van de Klusjesman geschreven. Een schrijftest wees dat uit.
    Maar wat is de waarde van zo'n test na 7 jaar met een contrôlegroep van slechts 4 vrouwen, die het doel van de toets kenden, waarbij komt dat het handschrift na zoveel jaar is veranderd?

  104. Resultaat van het vervolgonderzoek, gepubliceerd op 6 oktober jl wijst op minimale Y-chromosomale sporen, wijzend in de richting van het dna van Louwes., in het nagelvuil van het slachtoffer.
    Deze nagels waren tijdens de Bossche zittingen in 2003/2004 verdwenen. Evenals de blouse zijn ze na enige tijd opgedoken en evenals met de blouse is er zéér onprofessioneel mee omgesprongen, bewaard in containers, daarna in glazen potjes, op verschillende plaatsen onder verschillende omstandigheden.
    Mag men dan nog enige bewijswaarde toekennen aan dergelijk materiaal?

  105. Kan dit nagelvuil na zeven jaar nog als bewijs dienen voor daderschap, als ca acht procent van de Westeuropese mannen over hetzelfde Y-chromosoom beschikt, de detectiemethode dateert uit 1998 en de Y-chromosomale methode alleen wordt gebruikt voor uitsluiting van daderschap, niet voor bewijs daarvan, vanwege het grove karakter van de methode?

  106. Is er enige relatie te bedenken tussen de uiterst minimale hoeveelheid celmateriaal, zonder bloedsporen, dat tot voor kort niet eens door het NFI kon worden waargenomen, en de explosie van geweld tijdens de moord?

  107. Is de bij een notaris gedeponeerde getuigenis bekend, dat het slachtoffer op 23 september 1999, de avond van de moord, een afspraak had met de Klusjesman om zijn legaat totaal uit haar testament te schrappen?

  108. De heer Louwes heeft bij zijn verhoor in nov. 1999 vermeld dat hij op 23 sept. 1999, de avond van de moord, tussen 20.00 u en 20.30 u op de A 28 tussen Harderwijk en 't Harde in een file terecht kwam als gevolg van een breedtetransport. Dit breedtetransport is in een proces-verbaal bevestigd, zowel door een wegwerker van het wegen-bouwbedrijf Koop Tjuchem als door een medewerker van Rijkswaterstaat.
    Is dit gegeven, onlangs vrijgegeven uit het dossier van het OM, geen duidelijk alibi voor de heer Louwes?

  109. Onlangs heeft de politie P.V. opgemaakt van getuigenis van de voormalige r.k.-kerkhofbeheerder te Deventer. Michael de J. zou hem daags na de moord, de dag vóórdat het lichaam van mevr. Wittenberg werd gevonden, verteld hebben dat de vrouw was vermoord. Dit werd bevestigd door dhr. Scholten, voormalig secretaris van het kerkhofbestuur.
    Sterkt deze verklaring niet het eensluidend getuigenis door mevr. Comes- van Brink, de voormalige vriendin van Michael de J.?

  110. Aansluitend aan vraag 44. Uit 2 processen-verbaal, getekend door Jacsmi en Hanhaa blijkt dat door politieman P.G.J.M Martijn op 29 nov. 1999 om ca 12.20 u op het politiebureau te Deventer van E. Louwes geur is afgenomen. Daarmee werd hij middels een geurproef gelinkt aan het gevonden mes, zie vraag 27. Louwes heeft het mes echter nooit beroerd en het bleek bovendien niet het moordwapen te zijn. Wijst dit niet op fraude?

  111. Op de 4 gemaakte schrijftests, zie vraag 103, komen, in hetzelfde handschrift, 4 namen voor van personen die de toets hebben afgenomen. Bij navraag bleken zij tot de politie Apeldoorn te behoren, maar niets van de schrijfproeven af te weten. Wijst dit niet eveneens op fraude?

  112. Uit printgegevens is onlangs gebleken dat er op de avond van de moord nog om 20.18 u vanuit het huis van de vriendin van de klusjesman met de vaste telefoon is gebeld.

    Dit staat haaks op haar bewering dat zij ruim voor 20.00 u in de studentensoos op de Brink te Deventer aanwezig was. Dit ontkracht tevens het alibi van haar vriend voor het tijdstip van de moord.

    Het OM was daar ten tijde van het oriënterend onderzoek in 2006 al van op de hoogte. Waarom werd deze cruciale informatie niet naar buiten gebracht?

  113. Hoe is het te verklaren dat inspecteur Visscher in oktober 1999 een correctie vermeldde van het tijdstip van het telefoontje van Louwes naar mevr. W.: (een fout van uitlezer Godlieb)
    24 sept. 1999 20.25 u in 23 sept. 1999 20.25 u,
    terwijl in het TJ van 26 sept. 1999 de volgende aantekening voorkomt:
    23 sept. 1999 20.36 u,
    een informatie door KPN pas op 8 oktober 1999 vrijgegeven, op aanvraag van de OvJ?

    (Voor details zie Hoe kan je op een slechte fundering een kasteel bouwen?.)

  114. Waarop is de "chain-of-custody" tav de blouse gebaseerd, als de rechercheurs Oldenhof en de Ruiter in hun PV verklaren dat de spullen van mevr. W. in 2000 van Raalte naar Deventer zijn overgebracht, terwijl brigadier Laarman in het TJ aangeeft eind 1999 de spullen naar Deventer te hebben gebracht, behalve de kleding en de schoenen (die later verdwenen bleken te zijn).
    Niettemin werd de blouse op aanwijzing van de beheerder door Laarman eind 2003 aangetroffen op de zolder van de politie-garage te Deventer.


Terug