Het voortschrijden der tijd (2)

22 januari 2007

Inleiding

Sinds het schrijven van Het voortschrijden der tijd is er inmiddels aanleiding enkele aanvullende opmerkingen te maken.

Relevantie van TA

De TA-gegevens hebben bij nader inzien waarschijnlijk toch minder zeggingskracht over de positie van de beller dan ik eerst dacht. Dat betekent ook dat de wens die gegevens te bezitten voor een politieman die een alibi onderzoekt, minder dringend is. Toch blijf ik het erg vreemd vinden dat (of moet ik zeggen: 'als'?) ze niet meteen zijn opgevraagd zodra Louwes in beeld kwam.
De overwegingen voor de lagere relevantie zijn als volgt:

Enkele peiling of driehoek?

Het bepalen van de TA gebeurt waarschijnlijk in de praktijk niet als een driehoekspeiling, maar als een enkele looptijdmeting van een herkenbaar verzonden en terugontvangen signaal, van basisstation naar mobiele telefoon en terug. Eerder genoemd patent wijst daarop, en het ligt ook voor de hand. Dat betekent dat de TA-gegevens niet een 'vlek' in het landschap opleveren, met een doorsnede van enkele honderden meters, maar een 'band' met een breedte van zo'n 550 meter (35 km gedeeld door 64).

Op basis van de actieve antenne van het basisstation (er zijn er bijvoorbeeld drie of vijf, in diverse richtingen) zou die band dan geen hele cirkel vormen, maar een soort sector. De te gebruiken antenne wordt vast wel bepaald door het basisstation, om optimaal te kunnen zenden en ontvangen, maar worden deze gegevens ook geregistreerd en langere tijd (maanden) bewaard, samen met de TA-gegevens zelf?

TA alleen tijdens gesprek?

Anders dan ik eerst dacht, worden de TA-gegevens hoogst­waarschijnlijk alleen bepaald tijdens een daadwerkelijk gesprek (of ontvangst/verzending van een SMS), niet de hele tijd dat het toestel ingeschakeld staat. Dat maakt de gegevens uiteraard veel minder waardevol: niet de hele verplaatsing van Louwes op die avond is ermee na te gaan, maar alleen zijn afstand tot het basisstation op het moment van dat ene telefoontje van 16 seconden om 20.36 uur. Recherchetechnisch veel minder waardevol, want je weet dan nog niet waar hij daarvoor en daarna was.

Ruwe locatiebepaling

Wel maakt een ingeschakelde, maar niet gebruikte mobiele telefoon regelmatig bekend dat hij bestaat, aan het station dat het sterkste doorkomt. In het netwerk is dus altijd een ruwe indicatie van de plaats van elk ingeschakeld toestel bekend. Dit is wel veel minder nauwkeurig dan de TA-gegevens, ook omdat het werkt, via het HLR (zie ook MSC (Duits artikel) of NSS (Engels artikel), in termen van de BCS (Base Station Controller).

Een BSC bestuurt meerdere BTS'en wat de nauwkeurigheid dus nog geringer maakt. We praten over een gebied met vele kilometers doorsnee. Dit is begrijpelijk, want een belangrijk doel van deze registratie is, dat bij een inkomend gesprek voor het GSM-toestel de oproep niet in het hele land of zelfs heel Europa hoeft te worden uitgezonden. Tegen uitzenden vanuit enkele BTS'en behorend tot dezelfde BSC is echter minder bezwaar.

Hoe de structuur van de stations bij 't Harde, Deventer, Wezep, Nunspeet en Zwolle is, wat betreft BTS/BSC, is mij niet bekend.

Voor een alibi zou deze HLR-informatie wel waarde kunnen hebben: als Louwes zoals hij beweert, na het telefoontje is doorgereden naar Lelystad, zou uit deze gegevens te zien moeten zijn of dat aannemelijk is, vooral ook in verband met de tijdlijn en een eventuele omweg via Deventer.
Het probleem is alleen dat deze gegevens hoogst­waarschijnlijk alleen momentaan worden bijgehouden, en niet langer vastgehouden voor raadpleging achteraf. De uitzondering is waarschijnlijk de situatie dat een toestel met toestemming van de OvJ 'getapt' wordt, maar daar was bij Louwes uiteraard geen sprake van, aangezien hij op 23 september 1999 nergens van verdacht werd.

Basisstations en overbelasting

Ook het doorschakelen van een gesprek wegens overbelasting van een BTS loopt waarschijnlijk via de BSC. Ook bij speculaties daarover zou de organisatiestructuur van betreffende BTS'en in termen van BSC dus van belang kunnen zijn.

Terreinhoogte

De afstand tussen het GSM-station in Deventer en de snelweg bij 't Harde is volgens het vonnis 9 februari 2004 ruim 24 km. Dat klopt aardig met de 24,7 km die ik krijg door de co÷rdinaten op te zoeken in Google-maps (Deventer (52°15'18"N 6°9'18"O) resp. 't Harde (52°24'30"N 5°53'29"O)) en daarop mijn eigen afstandsberekening toe te passen.

Volgens het antenneregister is de betreffende mast (voor 900 MHz) in Deventer 30 m hoog. Dat geeft een visuele horizon van 19,5 km, zonder rekening te houden met buiging, want dan wordt het (met een effectieve aardstraal van 8500 km) al ruim 22,5 km.
Maar een zittende persoon in een auto op ca. 1 m hoogte, heeft zelf ook nog eens een horizon van zo'n 3,5 Ó 4 km. Dit moet erbij opgeteld worden. Dat zou betekenen dat theoretisch, puur door de kromming van de aarde, een afstand van wel 24 tot 26,5 gehaald moet kunnen worden, dus net iets meer dan de feitelijke afstand.
Wel moet de veldsterkte dan ook hoog genoeg zijn (neemt kwadratisch af met de afstand, hoewel bij bijzondere propagatie waarschijnlijk veel minder) en er kan storing zijn van nabije stations op eenzelfde kanaal. Toch is het merkwaardig dat steeds werd uitgegaan van de noodzaak van bijzondere propagatie­omstandigheden, terwijl de afstand met normale 'line of sight'-communicatie ook nog net haalbaar zou zijn.

Maar het is nog ingewikkelder. Dit stukje Nederland is immers bepaald niet vlak. Op hoogte- en andere kaarten van Nederland in de Bos-atlas (beschikbare exemplaren van 1964 en 1995) zie ik dat de lijn van Deventer naar 't Harde net over de Woldberg loopt, met een voor Nederlandse begrippen indrukwekkende top van 64 meter (elders ook 53 en 36 m). De weg erachter ligt zo te zien op een hoogte van tussen de 10 en 20 m. Dat laatste geldt ook voor Deventer. Ik weet niet of de hoogte in het antenneregister in ANP is, of de hoogte ten opzichte van de grond ter plaatse. Dat laatste lijkt zinniger, omdat dat voor het bereik in de nabijheid, gesteld dat dat allemaal ongeveer op dezelfde hoogte ligt, de relevante hoogte is.

Hoe dan ook, de Woldberg geeft (t.o.v. land op NAP; maar het nabije land ligt in elk geval lager dan de heuvel) een visuele horizon van 28,5 km (zonder rekening te houden met buiging). Samen met de zeker 19,5 km door de antennemast in Deventer is er zeker 'zichtcontact' mogelijk tussen die heuvel en de antenne.

Wat voor uitwerking dat heeft op een eventueel GSM-contact op de snelweg achter de heuvels (d.w.z. ten noordwesten ervan) is moeilijk te zeggen. De buiging, die normaal zeker een rol speelt bij dit soort golflengten (ca. 33 cm) geeft dan extra voortplanting over een vrij grote afstand (enkele kilometers) maar in een hoek die weinig afwijkt van de rechte lijn tussen zender en horizon. In deze situatie (met heuvels) zou het echter kunnen gaan om een betrekkelijk korte afstand (een km of zelfs minder) vanaf een vrij hoge heuvel naar terrein tientallen meters lager. Zorgt dit voor een redelijke signaalsterkte, d.w.z. weinig zwakker dan boven op die heuvel, aangenomen dat het signaal op de heuvel misschien nog wel groot genoeg is? Maar bedenk hierbij dat de afstand veel groter is dan waar de zender voor ontworpen is.

Louwes vertelt zelf dat hij tussen de afslagen Harderwijk (die hij gemist had) en 't Harde moet hebben gebeld. Dan kan er net een piek van 40,4 m bij Vierhouten tussen hem en Deventer hebben gezeten, maar iets zuidelijker waren er helemaal geen heuvels tussen Deventer en de weg. De weg ligt dan iets hoger dan Deventer, het landschap is als het ware hol, wat de natuurlijke bolheid van de aarde op macroschaal compenseert. Op het resulterende 'vlakke' stuk aarde moet zichtcontact en dus GSM-contact m.i. ook zonder bijzondere propagatie­omstandigheden mogelijk zijn geweest. Dit, nogmaals, los van de lagere veldsterkte door de grotere afstand en los van eventuele storing door andere stations op eenzelfde bakenkanaal, namelijk 3. Die storing, van 10515 Nunspeet en 14768 Zwolle, zoals ook genoemd in het vonnis, maakt het opbouwen van een verbinding wel weer minder waarschijnlijk, tenzij doorschakelen wegens overbelasting een rol speelde, maar dat is ook onzeker.

KPN: geen commentaar

Op of voor 29 december 2006 vroeg ik via het contactformulier van KPN om technisch commentaar op mijn eerdere artikel. Ik kreeg de 29e antwoord dat mijn vraag zou worden doorgestuurd naar de afdeling 'Corporate Communicatie'. Op 11 januari 2007 kwam er antwoord van de KPN Infodesk dat KPN niet inhoudelijk op mijn bericht zou reageren "omdat de zaak nog in behandeling is bij Justitie".
Een vreemd antwoord eigenlijk, want het enige dat nog in behandeling is, is het herzieningsverzoek (mirror) bij de Hoge Raad (mirror) en daarin komt het telefoontje als ik me goed herinner helemaal niet aan de orde.


Links

Zie de Links onder het andere artikel.


Kleuren: Neutraal Raar Geen voorkeur Pagina opnieuw laden