Rabo special (neg)

27 april, 23 – 25 juni 2016

Inleiding

Zoals in mijn vorige artikel aangekondigd geef ik hier mijn weinige kritiek (maar wel op wezenlijke punten) op de uitleg in een Rabo Special, geschreven door Wim Boonstra en gedateerd 21 mei 2015.

Citaten met commentaar

Hieronder geef ik steeds citaten van Boonstra “zo aan, tussen dubbele aanhalingstekens en met een andere opmaak”. Mijn commentaar staat er onder als gewone tekst.

Als de economie zich verder ontwikkelt en complexer wordt, wordt geld in circulatie gebracht door het produceren van munten van metaal en het drukken van papiergeld. Bij digitaal geld kan het gaan om het ‘minen’ naar bitcoins. Daarbij neemt de materiaalwaarde van het geld gestaag af. De waarde van dergelijk ‘onvolwaardig’ geld in het economische verkeer wordt dan niet meer bepaald door de intrinsieke waarde, maar door het vertrouwen (fiducie) in de algehele acceptatie van het geld. Daarom spreken wij bij onvolwaardig geld van ‘fiduciair geld’. In de loop der tijd is daar het girale geld bijgekomen. Dit maakt inmiddels het grootste deel van de geldvoorraad uit.[7]

Tot zover mee eens.

Want de combinatie van een monopolie in de aanmaak van (onvolwaardig) muntgeld en het bepalen dat het geld wettelijk betaalmiddel is, opent lucratieve mogelijkheden (zie box).

Ik denk van niet, ik denk dat dat een illusie is. Want een centrale bank heeft in wezen geen rechtstreeks voordeel van geldschepping. Evenmin als een overheid of een niet-centrale bank. Dat bleek uit mijn redeneringen hier en hier. Financiering van staatsuitgaven door lenen op de kapitaalmarkt komt neer op uitgestelde belasting. Maar met monetaire financiering (overheid leent van de eigen centrale bank) is dat in feite evenzeer het geval.

Het maakt allemaal niet uit, het is lood om oud ijzer.

De geschiedenis leert dat overheden nogal eens te ver gaan met het creŽren van geld. Dat gevaar is in een fiduciair geldstelsel altijd aanwezig, want daar ligt de intrinsieke waarde (materiaalwaarde) van geld per definitie lager dan de economische waarde (ruilwaarde). Dan is het voor de overheid aantrekkelijk om extra geld aan te maken om de seigniorage of geldscheppingswinst (het verschil tussen de ruilwaarde en de materiaalwaarde) te incasseren.

Dat incasseren is, mits de gang van zaken zuiver in de boekhouding wordt verwerkt, naar mijn mening en volgens mijn bevindingen niet mogelijk. Seigniorage bestaat niet. Althans niet direct, wel indirect via rente.

Rechtstreeks muntloon kan alleen als de waardevermeerdering van papier naar papiergeld geboekt wordt als opbrengst in plaats van vordering. Maar dat is (naar mijn mening) onjuist. Of in ieder geval grotendeels onjuist.

Overheden hebben zich in de loop der tijd dan ook vaak tot de geldpersen gewend.

Een illusie. Zulk overheidsgedrag is niet alleen slecht voor de economie (kans op hyperinflatie), maar de staat zelf schiet er ook in wezen niets mee op.

De op deze wijze gecreŽerde en geÔncasseerde geldscheppings­winst kan worden gezien als een vorm van belastingheffing.

Wel in die zin dat door inflatie aan spaarders waarde wordt ontnomen. Maar wie schulden heeft, wordt dan gesubsidieerd. Bij een hogere rentestand maakt het allebei niet veel uit.

Monetaire financiering is in feite niets anders dan geld lenen van het publiek, en dus niets anders dan lenen op de kapitaalmarkt. En dat, inderdaad, is een vorm van uitgestelde belastingheffing.

Via het incasseren van geldscheppingswinst kan de overheid dan bijvoorbeeld een ambtenarenapparaat, infrastuur [sic] en onderwijs financieren.

Alleen door het aan ambtenaren, aannemers of leraren betaalde geld op het moment van uitbetalen van diezelfde ambtenaren, aannemers en leraren te lenen. Per saldo worden ze dus eigenlijk niet betaald. Het is een sigaar uit eigen doos. Onderbouwing: situatie 3 en situatie 4, en eerdergenoemd artikel “Centrale bank financiert overheid?”.

In de loop der tijd hebben overheden het recht tot het in omloop brengen van papiergeld steeds meer naar zich toe getrokken. Dat had wellicht te maken met het voorkomen van misstanden bij de uitgifte van papiergeld door commerciŽle partijen. Maar de overheden hadden ook de drijfveer om zich de lucratieve geldscheppingswinst toe te eigenen. En hoewel het uitgegeven papiergeld formeel nog steeds een schuld van de overheid is die kan worden ingeruild voor iets anders, wat ‘echt waardevol’ is, is dat in de praktijk niet meer dan een loze kreet. Want geld is al lang niet meer inwisselbaar voor edelmetaal.

Waar. De Nixon shock van 1971.

Maar gaat dat ook zo ver dat aangemaakt geld – munten, papiergeld of zelfs giraal geld) rechts als opbrengst wordt tegengeboekt, geboekt mag worden of redelijkerwijs zou moeten worden? Want alleen dan is er rechtstreekse geldscheppings­winst.

Ik zou daar erg tegen zijn, want dat is in feite oplichting: waardeloos papier wordt aan publiek en niet-centrale banken verkocht alsof het zelf waarde heeft, terwijl het die waarde niet heeft.

Volgens mij is dat niet zoals het toegaat, en dat mag en moet ook niet.

Er kan ook geld worden gecreŽerd als de overheid staatsschuld uitgeeft en de centrale bank die schuld meteen opkoopt. Dat geld komt op de rekening van de overheid; die bankiert immers bij de centrale bank en zo kan extra geld in omloop komen. Dit laatste gebeurt zodra de overheid het geld uitgeeft.

Er vindt dan zelfs twee keer geldschepping plaats, ťťn keer bij het uitgeven en ťťn keer bij het opkopen, als de obligatie eerst even van een andere, niet-bancaire belegger was. Maar die ene keer compenseert dan de geldvernietiging bij de eerste aankoop van de obligatie.

Dit proces wordt wel aangeduid als monetaire financiering. De overheid incasseert dan de geldscheppingswinst. Uiteraard betaalt zij rente aan de centrale bank op de uitgegeven staatsleningen. Die inkomsten slaan neer in de winst van de centrale bank en die wordt uiteindelijk geÔncasseerd door haar aandeelhouder, de overheid. Dus de overheid heeft op deze manier ‘gratis geld’.

Dat lijkt zo, maar het is een illusie. Het geld is niet gratis, het wordt via een omweg gewoon geleend, van de bevolking.

Ook algemene banken kunnen giraal geld creŽren.[11] Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen via het verstrekken van krediet aan hun klanten. Het hierbij door hen gecreŽerde geld is echter niet van de banken zelf, maar van hun klanten.

Dat is bij de centrale bank niet anders. Alleen zijn haar klanten: de andere banken. Bankbiljetten komen in omloop doordat de centrale bank ze verkoopt aan andere banken. Die betalen ervoor met girale bankreserves, of ze moeten ervoor lenen bij de centrale bank.

De relatie tussen niet-centrale bank en publiek (huishoudens en bedrijven) is geheel analoog aan de relatie tussen centrale bank en niet-centrale bank. In het eerste geval wordt M1 gecreŽerd (dat later M2/M3 kan worden), in het tweede geval worden bankreserves gecreŽerd: direct opvraagbare tegoeden van niet-centrale banken bij de centrale bank.

In beide gevallen is er geen rechtstreekse geldscheppingswinst. Wel indirecte via rente en andere beleggingsresultaten.

Ik ben echt stellig van mening dat Boonstra hier een verschil ziet dat er niet is.

Dit is een belangrijk verschil met geldschepping door de overheid of centrale bank, waar nog wel eens aan voorbij wordt gegaan (Positive Money, 2012).

Mee eens in de zin dat Positive Money (de Britse inspirators van het Nederlandse OnsGeld.nu, ook wel @HervormOnsGeld genoemd) ernaast zit. Niet mee eens in die zin dat Boonstra er volgens mij ook naast zit. Geldscheppingswinst bestaat niet, niet bij handelsbanken en ook niet bij centrale banken, en ook de overheid kan niet haar uitgaven met geldschepping financieren. Want dat is gewoon lenen.

Aan de actiefzijde van de bankbalans verschijnt het verstrekte krediet. Dit proces wordt wel aangeduid als wederzijdse schuldaanvaarding (zie onder). Geldscheppende algemene banken incasseren in dit geval dus geen geldscheppingswinst in de gebruikelijke zin van het woord, omdat het door hen gecreŽerde geld niet aan henzelf, maar aan hun klanten toebehoort. Aan de actiefzijde staat tegenover het nieuw gecreŽerde geld het door de bank verstrekte krediet.

Dat klopt helemaal. Alleen, bij de centrale bank (CB) is het niet anders, volgens de overeenkomsten:

CentraalNiet-centraal
Centrale bank vs. niet-centrale banken Niet-centrale bank vs. publiek
Bankreserves M1/M2/M3
Vordering van banken op CB Vordering van publiek op bank
Schuld van CB aan banken Schuld van banken aan publiek

Dit neemt niet weg dat kredietverlening voor algemene banken wel degelijk een winstgevende aangelegenheid kan zijn.

Door de rentemarge inderdaad. En ook dat geldt naar analogie ook zo bij de centrale bank.

Anders dan bij overheden en centrale banken is het geldscheppende vermogen van een gewone bank aan een aantal restricties onderhevig.

Hier geef ik Boonstra gelijk. De centrale bank heeft op dat punt een grote vrijheid.

Op het eerste gezicht lijken commerciŽle banken, net als centrale banken, op deze manier geld ‘uit het niets’ te maken. Dat is echter een onterechte constatering. Het door de bank gecreŽerde geld is namelijk wel degelijk gedekt, namelijk door het afgesloten krediet en de inspanningsverplichting van degene die het geld heeft geleend, de debiteur, om de lening weer terug te betalen.

Mee eens. Echter, de balans van een centrale bank is volgens mij ook gewoon in evenwicht. Zulke balansen staan openlijk op het web, ik heb er jaren terug een paar bekeken, hoewel niet in detail, omdat ze nogal ingewikkeld zijn. Maar mij is nooit opgevallen dat ze niet in evenwicht zouden zijn. Rechts staan onder meer bankreserves (direct opvraagbare tegoeden van niet-centrale banken) en in de omloop gebrachte bankbiljetten (in handen van niet-centrale banken en publiek).

Links staan daar ruim voldoende activa tegenover om ook een eigen vermogen (equity) te hebben. Dus: bankbiljetten en bankreserves (M0) is net zo goed gedekt als M1 dat is.

Hier heeft Irving Fisher al lang geleden op gewezen (Fisher, 1911). Wel is de hoeveelheid giraal geld onder dit stelsel veelal groter dan de liquide reserves die er tegenover staan. Vandaar de naam fractional reserve banking.

Dat is interessant, dat Fisher het systeem van fractional reserve banking al in 1911 beschreef. Dat is eerder dan de oprichting van de Federal Reserve Bank in 1913.

Mensen die in fractional reserve banking een boos banken­complot zien om de mensheid te knechten en bestelen, doen het vaak zo voorkomen dat dat pas werd toegestaan nadat de Fed er kwam. Maar als Irving Fisher die praktijk in 1911 al beschreef, dan bestond die dus al veel langer, tenzij hij puur theoretisch schreef.

Mij verbaast het helemaal niet dat fractional reserve banking al veel ouder is, omdat ik dat bankiersysteem als het enige zinnige zie, en full reserve banking als een recipe for disaster, vooral doordat kort geld dan niet meer uitgeleend mag worden.

De bank kan door deze transactie natuurlijk wel meer winst maken, want op het verleende krediet ontvangt zij rente. Als het geld op de betaalrekening van de klant blijft staan, hoeft de bank daarop veelal geen of slechts een zeer lage rente te vergoeden. Het verschil tussen de rente die een bank ontvangt op haar kredieten en de rente die zij betaalt op haar financiering, ofwel de rentemarge, is de belangrijkste winstbron van een bank. Maar het geld dat de bank heeft gecreŽerd, is zoals eerder gezegd niet haar bezit, maar een verplichting aan haar klant. Het staat aan de passiefzijde van de bankbalans op een betaalrekening. Banken creŽren geld voor anderen en incasseren derhalve geen geldscheppingswinst in de eigenlijke zin. Dit dus in tegenstelling tot overheden en centrale banken.

Ik val in herhalingen: geheel mee eens, met uitzondering van die laatste zin. Want overheden en centrale banken incasseren ook geen geldscheppingswinst in eigenlijke zin. Tenzij ze de boel flessen met creatief boekhouden.

Een belangrijk verschil tussen geldschepping door commerciŽle banken en die door overheden is dat er in het eerste geval ook weer eenvoudig geldvernietiging plaatsvindt.

Is waar, alleen: centrale banken kunnen ook basisgeld vernietigen, door de omgekeerde transacties van die waarbij geldcreatie plaatsvindt. In MMM (Modern Money Mechanics, uit 1961) staan genoeg voorbeelden.

Ook de overheid kan gemakkelijk geld vernietigen: door belasting te heffen. Geld (M1) is vordering van publiek op banken. De overheid is geen publiek, dus als er geld van publiek naar overheid gaat, houdt dat gelddestructie in.

Een belangrijk verschil tussen geldschepping door commerciŽle banken en die door overheden is dat er in het eerste geval ook weer eenvoudig geldvernietiging plaatsvindt. Ten eerste door de hoeveelheid liquide middelen (bancaire reserves en kasvoorraden) die een bank met het oog op de continuÔteit minimaal in voorraad wil houden voor het geval dat klanten hun geld komen opnemen.

Het vergroten van girale bankreserves gaat vaak gepaard met een toename van M1, dus met geldschepping i.p.v. geld­vernietiging. Ik zie zo snel geen relatie tussen die reserves en gelddestructie, niet in absolute bedragen. Wel houdt het aflossen van krediet vanzelf geldvernietiging in. De bankreserves nemen dan in procenten wel toe, in verhouding tot de opvraagbare tegoeden van bankklanten.

3.e) Schuldenvrij geld bestaat niet

Met die stelling ben ik het eens. Geld is uitgevonden om mispassingen te overbruggen, ook mispassingen in de tijd, en daarom kan het niet anders, en moet het ook niet anders, dan dat geld en krediet, dus ook geld en schuld, nauw verbonden zijn.

Giraal geld is of een vordering van de centrale bank op wederom zichzelf (bij basisgeld), of een vordering op (en schuld van) een gewone bank.

Eens met het tweede deel van de zin. Maar het eerste deel, vooral dat “op wederom zichzelf” begrijp ik niet, of voor zover ik het toch begrijp, ben ik het er niet mee eens. Misschien doelt Boonstra hier op de situatie die ik hier beschreef, redenerend vanuit bankbiljetten als opgewaardeerd papier.

Maar Boonstra heeft het hier niet over bankbiljetten, maar over giraal geld en basisgeld. Basisgeld (M0, ook wel eens MB genoemd) bestaat uit bankbiljetten in handen van het publiek, bankbiljetten in de kluizen en kassaladen bij niet-centrale banken, en girale tegoeden, direct opvraagbaar, van de niet-centrale banken bij de centrale bank. Aangezien Boonstra expliciet schrijft over giraal geld, kan het hier alleen maar gaan om die girale tegoeden, het girale deel van wat ik (samen met bankbiljetten in de kluis van niet-centrale banken) bankreserves noem.

En dan vind ik mijn analogie, zoals zojuist al opgevoerd, veel logischer en duidelijker. In die visie is een girale bankreserve niet “een vordering van de centrale bank op wederom zichzelf”, maar een vordering van een niet-centrale bank op een centrale bank.

Omgekeerd: een schuld van de centrale bank aan de niet-centrale bank.

Soms staat daar ook een schuld van de niet-centrale bank aan de centrale bank tegenover, met andere condities (niet direct opvraagbaar, veelal met onderpand, hogere rente), maar dat hoeft niet altijd of volledig zo te zijn. Bezien vanuit ťťn bank ontstaan en verdwijnen bankreserves immers ook door de verevening, door de verrekening van het voortdurend heen en weer gaan van bedragen tussen niet-centrale banken onderling, ten behoeve van hun cliŽnten. Anders gezegd: door het betalingsverkeer.

Het creŽren van ‘niet op schuld gebaseerd geld’, zoals ook in ons land door het Burgerinitiatief wordt bepleit, waarover later meer, is in een moderne economie en bij modern geld dus naar zijn aard onmogelijk.

Hiermee ben ik het dan weer hartstochtelijk eens.

Ten eerste omdat men vaak de schuld verkeerd om ziet. Geld is inderdaad schuld, maar van banken, niet van het publiek. Ten tweede omdat “geld is schuld” niet eng en oplichterig is, maar op natuurlijke wijze volgt uit het wezen, de functie, de geschiedenis van geld. Geld is de geniale uitvinding die het is, o.a. omdat het krediet mogelijk maakt, en dus ook schuld. Maar ook vordering.

Verder citaat:
Want het door de centrale bank gecreŽerde geld is weliswaar een schuld, maar wel aan zichzelf.

Dit zie ik dan weer niet, dit vat ik niet. Ik ga inmiddels toch wel zo ver te zeggen (beseffend dat Boonstra een deskundige is en ik maar een amateur): dat is gewoon niet waar. Boonstra snapt het niet, hij zit ernaast. Echt.

Er is dus geen rem.

Als het voorgaande waar was, hield dat inderdaad geen rem in op geldschepping door centrale banken. Zoals het m.i. wťl in elkaar zit, geeft het ook geen rem. Er is inderdaad bij centrale banken weinig rem op geldschepping, omdat de remmen die er bij niet-centrale banken op zitten, hier niet opgaan.

Hoewel, punt 4 aldaar: een centrale bank kan een bank die ten prooi valt aan een bankrun, eindeloos redden met krediet. De klanten halen hun saldi weg, nemen die contant op of boeken die over naar andere banken. Die bank ziet dan de bankreserves zorgwekkend slinken. De centrale kŠn die reserves eindeloos blijven aanvullen, dus steeds meer nieuwe leningen te verstrekken. Daarbij wordt vers basisgeld verstrekt (waaraan weliswaar andere banken dan een overschot krijgen, door de toestromende overgeboekte tegoeden).

Maar toen dat een paar jaar terug gebeurde, met de Generale Bank, vond de Nederlandsche Bank het snel welletjes, en moesten overheden inspringen, door de hele club (inclusief de ermee gefuseerde ABN-AMRO) over te nemen. De centrale banken (het probleem speelde ook in BelgiŽ) vonden eindeloos geld scheppen kennelijk te riskant. Of ze vond het vooral zinloos, in de verwachting dat het vertrouwen niet terug zou keren.

Een zeer belangrijk voordeel van geldschepping door commerciŽle banken is de flexibiliteit van het stelsel. Soms is het belangrijk dat er weer geld uit omloop wordt gehaald (vernietigd), bijvoorbeeld om een instroom uit een onbeheersbare buitenlandse bron te compenseren. Zeker in een kleine, open economie zijn die buitenlandse invloeden zeer groot en moet de binnenlandse bron van geldschepping in staat zijn mee te ademen met de buitenlandse invloeden.

Zeer mee eens. Alleen, dat is niet puur een zaak van commerciŽle banken. Uit Modern Money Mechanics (MMM, 1961) rijst een beeld op van commerciŽle banken en centrale banken die in samenspel de geldhoeveelheid reguleren, inderdaad mee-ademend met de behoefte. De centrale bank(en) zijn op dit punt net zo flexibel, zo niet flexibeler, dan de niet-centrale.

Stelsels die zijn gebaseerd op het innen van geldscheppingswinst bij de uitgifte van geld zijn daar slecht voor uitgerust. Het is bijvoorbeeld moeilijk voorstelbaar dat de overheid ook bereid zou zijn om ‘geldvernietigingsverlies’ (negatieve geldscheppingswinst) te accepteren als de omstandigheden daarom vragen.

Ik denk toch echt dat Boonstra er hier helemaal naast zit. Al was het maar omdat geldvernietiging door de overheid aan de orde van de dag is: iedereen die belasting betaalt, vernietigt geld. De overheid, dus de belastingdienst, behoort niet tot het publiek, dus elke euro die ernaar overgemaakt wordt, was M1 maar houdt dan op dat te zijn.

Dat doet de overheid helemaal geen pijn. Integendeel.

Ook als vers uitgebrachte staatsobligaties worden gekocht door een niet-bancaire belegger, treedt geldvernietiging op, zowel wat betreft M1 als waar het gaat om bankreserves. Toch wordt de staat daar niet slechter van, integendeel, er komt geld binnen, de begroting wordt weer sluitend.

In geval van commerciŽle banken kan de door hen uitgegeven geldhoeveelheid veel gemakkelijker krimpen. Dat gebeurt bijvoorbeeld al automatisch als mensen ontvangsten vanuit het buitenland gebruiken om schulden bij hun bank mee af te lossen.

De buitenlandse factor is daarin geen vereiste, want ťlke aflossing van een bankkrediet door een lid van het publiek houdt gelddestructie in. Er treedt namelijk bij de bank balans­verkorting op.

Dit is analoog aan de geldcreatie en balansverlenging die automatisch optreedt bij elke verstrekking van zo’n krediet.

Evenzo worden bankreserves vernietigd, wordt dus basisgeld vernietigd, als een bank een krediet van de centrale bank aflost.

Omdat banken geen geldscheppingswinst incasseren bij de uitgifte van geld hoeven zij ook geen verlies te incasseren als het de geldhoeveelheid door acties van de klanten weer krimpt.

Inderdaad. Maar dat geldt voor centrale banken en overheden net zo goed.

Een derde voordeel van het Chicago Plan is dat de netto staatsschuld drastisch afneemt. De overheid verstrekt de banken immers de benodigde liquiditeiten (geld) door staatsleningen van hen op te kopen. Doordat de overheid haar schuld kan terugkopen met vers gecreŽerd geld neemt de staatsschuld af. Het nieuwe geld kost vrijwel niks, er is dus maximale geldscheppingswinst, en daarmee koopt de overheid haar schuld terug.

Dit is niet waar, dit is een illusie. Om geld te scheppen wordt namelijk hoe dan ook een schuld aangegaan, gelijk aan de hoeveelheid schuld die er eventueel mee af te lossen zou zijn. Per saldo geen effect.

In mijn voorbeeld 4 bedragen na het opkopen van de staatsobligaties door de centrale bank de geconsolideerde bankreserves van staat en centrale bank samen 11.000, waar dat initieel 10.000 was. Die toename is verkapte staatsschuld.

Voor zover de overheid het nieuwe geld in omloop brengt door het opkopen van andere activa van banken, zoals bedrijfsleningen, verkrijgt zij tevens renderende bezittingen tegen vrijwel nul aan kosten.

Onjuist, want er komt schulden tegenover te staan in de vorm van bankreserves. Dat zijn reŽle vorderingen van banken, die ze echt niet laten lopen, anders dan bij bankbiljetten, die voor een deel verdwijnen of tot zwart geld of buitenlandse valutareserves worden, waardoor de vordering erin nooit meer wordt opgeŽist.

Verder kan het natuurlijk ook gebeuren dat de economische omstandigheden vragen om een krimp van de geldhoeveelheid. Dat zou in dit geval dus betekenen dat de overheid bereid moet zijn om een stevig ‘geldvernietigingsverlies’ (negatieve geldscheppings­winst) te incasseren als gevolg van het uit omloop halen van het teveel aan geld. Daarvoor zal het enthousiasme niet groot zijn.

Een drogreden. Overheid of centrale banken maken geen directe winst bij geldschepping, evenmin als handelsbanken. Seignio­rage bestaat niet. Zoals er geen geldscheppingswinst is, is er ook geen geldvernietigingsverlies. De centrale bank kan wel degelijk de bankreserves reguleren, inclusief inkrimpen. Het stond in 1961 al beschreven in MMM.

Tenslotte krijgt de overheid alle macht over de geldpers. Al het geld dat zij creŽert, brengt haar een geldscheppingswinst van vrijwel honderd procent.

Nee. Nul procent.

En ook het in omloop brengen van giraal basisgeld levert, zoals eerder uiteengezet, geldscheppingswinst op.

Ik heb niet gezien dat dat uiteengezet werd. Misschien kan de heer Boonstra het in een later artikel alsnog voorrekenen, aan de hand van balans en verlies- en winstrekening? Daarzonder geloof ik het niet.

De opstellers van het burgerinitiatief denken ook, dat als de overheid een monopolie op geldcreatie krijgt, de publieke schulden fors kunnen dalen. Uiteraard is het zo dat iedere euro die de overheid kan creŽren, in omloop kan brengen en waarvan zij dus de geldscheppingswinst kan incasseren, niet hoeft te worden geleend.

Maakt niets uit, want die geldschepping is zelf ook een vorm van lenen. Monetaire financiering, financiering op de kapitaalmarkt, en gewone belastingheffing zijn per saldo allemaal hetzelfde, alleen via andere omwegen. De mensen van het Burgerinitiatief maken zichzelf en het publiek blij met een dode mus.

Toch past hier voorzichtigheid. Als de overheid geld­scheppings­winst incasseert, koopt zij als het ware goederen en diensten van haar burgers met zelf gecreŽerd geld. Dat is gewoon belasting­heffing in een andere en minder transparante gedaante.

Precies, dat zeg ik. De overheid leent geld van een aannemer om die aannemer te kunnen betalen. De overheid leent geld van een leraar om onderwijs te kunnen bekostigen. Het is allemaal nep. Politici kunnen veel beter eerlijk zijn en gewoon genoeg belasting heffen, in plaats van geld te scheppen of geld te lenen. Macro-economisch is het effect van allemaal gelijk.


Copyright © 2016 R. Harmsen. Alle rechten voorbehouden.

Kleuren: Neutraal Raar Geen voorkeur Pagina opnieuw laden